Archief van oktober, 2019

Borderline

Wat is borderline?

Het meest kenmerkende van de borderline persoonlijkheidsstoornis (kortweg: BPS of borderline) zijn de sterke wisselingen in stemmingen, gedachten en gedrag. Mensen met borderline zijn enorm impulsief, denken vaak zwart-wit, reageren extreem. Relaties zijn moeilijk te onderhouden, en wisselen ook sterk. Ook de ideeën en gedachten die ze over zichzelf hebben, wisselen sterk.

Hoe vaak komt het voor?

In Nederland zijn naar schatting 100.000 mensen met borderline. Dit is minder dan 1%. Misschien zijn het er meer, omdat veel mensen met borderline behandeld worden voor bijkomende klachten als bijvoorbeeld depressie of angsten. Borderline wordt in zo’n situatie vaak niet herkend.

Bij mensen die zijn opgenomen in een instelling komt borderline vaak voor. Onder opgenomen mensen met een verslaving heeft 5 tot 22% borderline; onder psychiatrische patiënten 6 tot 63%. De cijfers lopen nogal uit elkaar, omdat er verschillende methodes worden gebruikt.

Gaat het over?

Lange tijd is gedacht dat borderline niet overgaat. Maar van de mensen die zijn opgenomen geweest in een instelling blijkt dat na 3 jaar 40% officieel geen borderline meer heeft. Het kan goed zijn dat iemand dan nog wel een paar borderline-verschijnselen heeft, maar officieel niet meer. Als mensen met borderline ouder worden, worden hun leven en hun relaties toch wat stabieler. Hun algemene functioneren verbetert ook. Ook het risico op zelfdoding neemt af.

Verschijnselen

Mensen met borderline hebben minstens 5 van de volgende verschijnselen.

  • Ze proberen krampachtig te voorkomen dat iemand ze in de steek laat. En alleen maar denken dat ze in de steek gelaten worden, is al genoeg om krampachtig te proberen dat te voorkomen.
  • Ze hebben intense relaties met anderen, maar die zijn ook heel instabiel.
  • Ze denken heel zwart-wit over hun relaties: of iemand is geweldig of hij is waardeloos.
  • Ze hebben steeds een ander beeld of gevoel van zichzelf. Dat wisselt sterk.
  • Ze zijn impulsief. Dat heeft negatieve gevolgen voor henzelf op minstens twee gebieden: geld verspilling, veel wisselende seksuele contacten, misbruik van alcohol en drugs, roekeloos rijden, vreetbuien.
  • Ze doen pogingen tot zelfdoding, dreigen daarmee, of verwonden zichzelf.
  • Ze hebben sterk wisselende stemmingen als reactie op gebeurtenissen. Dit geeft periodes van grote somberheid, prikkelbaarheid of angst. Dit duurt meestal enkele uren, en bijna nooit langer dan een paar dagen.
  • Ze hebben een blijvend gevoel van leegte.
  • Ze hebben last van intense woede, die niet past in de situatie en de situatie ook niet oplost. Of ze hebben moeite hun boosheid te beheersen.
  • Ze hebben dan ook driftbuien, blijvende woede, of hebben geregeld vechtpartijen.
  • Ze hebben paranoïde ideeën. Dit is het idee achtervolgd of bedreigd te worden. Die ideeën komen in stress-situaties. De ideeën gaan ook weer voorbij. Of ze dissociëren ernstig. Dan hebben ze het gevoel er niet meer bij te zijn en als het ware weg te raken. Soms weten ze dan niet meer precies wat er gebeurd is.

Oorzaken

Over oorzaken van borderline valt nog weinig te zeggen. Wel zijn extra risico’s bekend. Dat wil zeggen: er is meer risico in onderstaande gevallen. De extra risico’s hebben te maken met geslacht en leeftijd, met individuele kwetsbaarheid, met de omgeving, en met levensgebeurtenissen.

Geslacht en leeftijd

Het komt even vaak voor bij mannen en vrouwen. Het impulsieve gedrag zorgt ervoor dat mannen vaker alcohol en drugs gaan gebruiken, vrouwen vaker eetbuien krijgen. Vrouwen met borderline worden vaker opgenomen in een instelling. Waarschijnlijk omdat vrouwen eerder hulp zoeken voor hun problemen, of omdat bijvoorbeeld agressie en wisselende seksuele contacten eerder als een probleem wordt gezien bij vrouwen. Borderline kan niet goed vastgesteld worden bij jongeren tot 18-20 jaar. Het kan goed zijn dat zij vanwege hun ontwikkeling met emotionele problemen te maken hebben, en dat op een borderline-achtige manier uiten. Bij mensen van 50 jaar en ouder komt borderline minder voor.

Individuele kwetsbaarheid

Erfelijkheid speelt een grote rol. Mensen met borderline zijn emotioneel kwetsbaar. Ze zijn zeer gevoelig voor emotionele dingen. Daar reageren ze heftig op en het duurt lang voor ze weer een evenwicht hebben bereikt. Ze hebben een bijzondere combinatie van een negatief gevoelsleven en ontremming. Deze combinatie lijkt gedeeltelijk te komen door trauma’s in de kindertijd. Er is een aantal lichamelijke factoren dat een rol speelt bij mensen met borderline. Dit heeft te maken met processen in de hersenen en met hormonen.

Omgeving

Mensen met borderline wonen vaker zonder partner. Dit is niet vreemd, want relaties zijn vaak instabiel. Er is geen verband met opleiding of woonomstandigheden.

Levensgebeurtenissen

Mishandeling, verwaarlozing, seksueel misbruik in de jeugd komen vaak voor bij mensen met borderline. De helft van mensen met borderline is mishandeld of seksueel misbruikt. Wordt emotionele mishandeling meegeteld, dan ligt dit aantal nog hoger.

Bron: Trimbos Instituut

Medea Complex

Parental Alienation Syndrome is frequently caused by the Medea Complex in divorcing mothers. P.A.S. is a mother’s revenge and aggression against her former husband by depriving him of his children and brain washing the children by programming the children to adapt the mothers negative perception and definition of their fathers. This programming becomes a core fundamental belief if instilled at an early age, and if questioned later in life, the person’s core sense of reality seems shaken.

Studies indicate that boys suffer the most harm when the boys are stuck with mothers who express hostility towards their fathers- the source of their male identity. The mother’s brainwashing of a daughter is particularly powerful due to the daughter’s identification with the mother. When a mother poisons her daughter’s love of her father, she is also compromising her daughter’s ability to maturely love any man. The adult children who were brain washed will not present this as a problem, and has special defenses to guard against this awareness.

Why would a mother do this to her own children? The story of Medea may help us to understand such motives. The Greek drama served the purpose to not just entertain, but to provide a catharsis for the collective unspoken traumas and pains of the audience. These classic stories express most beautifully powerful human conflicts characteristic of our universal psychology. Written around around 400 .B.C., it is a story of intense love turned to such intense hate, that Medea kills her own children to get back at her husband for betraying her; she rejoices at having hurt him so.

Medea is an example of a particular form of hatred found in women. Medea’s internal experience is a compound of a sense of injury- a sense that builds to imagined public humiliation and a sense of righteousness. … The righteousness implied here in “the wrong he has dared to do to me” has struck me clinically. It is a frequent accompaniment of hate and hate-based rage. I think it stems from something self-preservative'(“I have been so mistreated that I have this right…”) and some flaw in the super-ego, possibly based on identification with the child’s experience of the rageful mother’s giving herself full permission- and without subsequent remorse- to express her rage toward the child.

A psychodynamic model of severe divorce pathology views the Medea mother as “narcissistically scarred, embittered dependent woman…(who) …attempts to severe father-child contact as a means of revenging the injury inflicted on her by the loss of a self-object, her hero-husband.” The idea is that the Medea mother is so dependent that she cannot deal with the loss, and thus holds on with hate. Her love turned to hate is so passionate that she destroys that which intimacy between them produced. The hate goes beyond her instinctive need to protect her own children. Medea must make the father suffer more than she suffers for it to be a punishment with revenge and make him feel pain.

In short, a mother who brain washes her children against their father has a Medea Complex. She probably has paranoia or at least paranoid features within a borderline or psychotic character structure. She can not deal with the loss, and remains tied to her (ex)husband in an intimate hate, and keeps her children tied to her out of fear.

THE MEDEA COMPLEX AND THE PARENTAL ALIENATION SYNDROME: When Mothers Damage their Daughter’s Ability to Love a Man. Robert M. Gordon, Ph.D. Lees heel artikel hier

Wat is Asperger?

Syndroom van Asperger

Over het Syndroom van Asperger is veel op het www te vinden. Ik heb een klein gedeelte geselecteerd voor deze site. Wil je er nog meer over weten klik dan eens op de links onderaan deze pagina.

Achtergrondinformatie bij het syndroom van Asperger

Kinderen met het syndroom van Asperger hebben een aantal kenmerken die vergelijkbaar zijn met kenmerken van kinderen met autisme. Maar bij kinderen met Asperger is sprake van een gemiddelde tot hoge intelligentie, terwijl 70% van de kinderen met autisme een verstandelijke handicap heeft. Ook zijn kinderen met Asperger in staat taal te gebruiken, in tegenstelling tot veel kinderen met autisme. Het taalgebruik komt vaak eigenaardig over op anderen: weinig variatie in toonhoogte en ritme. De woordkeuze doet vaak ”ouwelijk” aan.
Kinderen met Asperger kunnen goed oog voor detail hebben, een goed, soms zelfs fotografisch geheugen, zijn eerlijk en kunnen een encyclopedische kennis hebben over bepaalde onderwerpen. Het hier beschreven gedrag wordt in Nederland vaak als PDD-NOS gediagnosticeerd.

Kenmerken volgens Lorna Wing (Engelse autisme-deskundige):

  • Gebrek aan empathie (inlevingsvermogen)
  • Naïeve, onaangepaste, eenzijdige interactie
  • Weinig tot niet in staat vriendschappen aan te gaan
  • Pedante, zich steeds herhalende manier van praten
  • Gebrekkige non-verbale communicatie
  • Volledig opgaan in bepaalde onderwerpen
  • Onhandige slechte gecoördineerde bewegingen, een vreemde lichaamshouding

Vanwaar de naam Asperger?

Het syndroom is genoemd naar de Weense kinderarts Hans Asperger, die kinderen met dit syndroom het eerst beschreef.

Behandeling

De behandeling bestaat, net als bij de meeste kinderpsychiatrische aandoeningen, uit een combinatie van voorlichting, medicatie, opvoedingsondersteuning, begeleiding op school en psychotherapie in de vorm van gedragstherapie en/of sociale vaardigheidstrainingen.

Medicatie

Medicatie wordt gegeven om bijkomende problemen zoals angst, depressie of agressie te verminderen. Soms wordt Ritalin voorgeschreven om de aandacht en concentratie te verbeteren.

Oorzaken

Bij mensen met autisme en het syndroom van Asperger functioneren delen van de hersenen anders dan normaal. Dit blijkt uit onderzoek met hersenscans. Maar exacte informatie hierover kunnen we op dit moment niet geven

Gevolgen

Afhankelijk van de samenstelling en de ernst van de stoornis zijn kinderen met Asperger meer of minder beperkt in het dagelijks functioneren. Angsten komen bij hen meer dan gemiddeld voor. Op school functioneren ze vaak onder hun intelligentieniveau. Vrienden maken en vriendschappen onderhouden is voor deze kinderen een extreem moeilijke opgave.

Aanbevolen om te lezen:

Attwood T. Het syndroom van Asperger. Een gids voor ouders en hulpverleners. 2001 Swets & Zeitlinger. ISBN 90 265 1672 X.

Meer weten over Syndroom van Asperger?

Klik eens op deze links:

Wat is het syndroom van Asperger (AS)?

door Ruth Groenendijk
Het is genoemd naar de Weense kinderarts Hans Asperger. Hij beschreef al 50 jaar geleden personen met een bepaald patroon van vaardigheden en gedrag. Men spreekt ook wel eens van een milde vorm van autisme.

Hoewel het ook bij meisjes voorkomt, gaat het toch vooral om jongens met een normale tot boven gemiddelde intelligentie.

De meest opvallende kenmerken zijn:

  • het gebrek aan inlevingsvermogen
  • grote moeite om vriendschapsrelatie te leggen en vast te houden
  • volkomen opgaan in bepaalde interesses
  • vaak wat onhandige motoriek

Mensen met AS zijn in het algemeen eerlijke en betrouwbare mensen die leven in onze wereld op hun eigen manier, ze kijken anders tegen de wereld op dan andere mensen. Zij vinden gewone mensen vreemd en raadselachtig.

  • Waarom zeggen we zoveel wat we niet menen?
  • Waarom hebben we al die sociale regels en signalen en hoe worden we daar wijs uit.
  • Waarom zijn wij zo onlogisch vergeleken met iemand met AS.

Ze hebben grote moeite om gelaatsuitdrukkingen en lichaamstal te begrijpen en neigen ertoe alles letterlijk te nemen. Door hun vaak hoge intelligentie zijn ze zich zeer bewust van hun anders zijn, ze doen hun uiterste best om gewoon te zijn. Hoe voorspelbaarder en gestruktureerder de omgeving is, hoe veiliger ze zich voelen en hoe minder hun autisme opvalt. Herhaaldelijk falen kan hevige frustraties en angsten veroorzaken e.e.a. wordt mooi omschreven in het volgende gedicht van een jongen met AS:Ik ben het bangst voor mijzelf. Ik heb niet alles onder controle: het is een voortdurend gevecht, dat mijn krachten uitput. Ik ben altijd moe: ik slaap nooit genoeg. Er gebeurt van alles om me heen waar ik geen controle over heb. Ik doe dingen die me beangstigen. Als ik in de war ben, of boos of moe, dan gaat het mis, en neemt het lichaam het over. Je eigen leven als een leegte zien is eng. Het kost moeite om alles onder controle te houden en het niet zomaar te laten gaan. Ik ben bang voor wat ik voel. Emoties ondermijnen mijn controle en leiden ertoe dat ik de greep verlies. Als ik nadenk, dan denk ik soms: laat maar gaan, laat maar glippen. Het doet pijn om steeds maar te vechten. Ik wil alleen maar vrede en rust.

DSM IV over Autisme

Anchor

DSM IV Diagnostische Criteria voor Autisme
Diagnostische Criteria voor 299.00 Autistische Stoornis
[het volgende is afkomstig uit het Diagnostisch en Statistisch handboek van Psychische Stoornissen: DSM IV 

  1. Tenminste zes (of meer) items van (A), (B), en (C), met minstens twee van (A), en een van (B) en (C) 
    1. kwalitatieve tekortkomingen in sociale wisselwerking zoals blijkt uit tenminste twee van de volgende: 
      1. opvallende tekortkomingen in het gebruik van meerdere non-verbale gedragingen zoals oogcontact, gezichtsuitdrukking, lichaamshouding, en mimiek(welke sociale wisselwerking regelt) 
      2. tekortkoming in het ontwikkelen van vriendschappen met leeftijdsgenoten in overeenstemming met het ontwikkelingsniveau 
      3. een gebrek in het spontaan delen van plezier,interesses, of prestaties met andere mensen, (bv., door een tekortkoming in het verduidelijken van interesses naar anderen mensen) 
      4. Een gebrek in sociale of emotionele wederkerigheid(bijv. doet niet actief mee aan eenvoudige spelletjes die men alleen moet doen; betrekt andere kinderen uitsluitend als “mechanisch hulpstuk” bij spelletjes) 
    2. Kwalitatieve tekortkomingen in communicatie zoals blijkt uit minstens een van de volgende: 
      1. vertraging in, of een totaal gebrek aan, de ontwikkeling van de gesproken taal (welke niet gevolgd wordt door een poging dit te compenseren door alternatieve mogelijkheden van communicatie, zoals gebaren of mimiek) 
      2. bij individuen met goede spreekvaardigheid, opvallende tekortkomingen in het starten of onderhouden van een gesprek met anderen. 
      3. stereotype of herhaald gebruik van taal of eigenaardig taalgebruik 
      4. een gebrek in gevarieerd, spontaan fantasiespel of sociaal imitatiegedrag overeenkomstig het ontwikkelingsniveau 
    3. opvallend beperkt en stereotype gedragspatroon, interesses en gedragingen, zoals blijkt uit minstens twee van de volgende: 
      1. overdreven in beslaggenomen zijn door een of meer stereotiepe en beperkte interessegebieden, welke abnormaal zijn in intensiteit of concentratie 
      2. blijkbaar onverzettelijk ten opzichte van specifieke, niet functionele handelingen of rituelen
      3. stereotype en repeterende lichaamsbewegingen (zoals handflappen of draaien met de handen, of complexe bewegingen van het hele lichaam) 
      4. hardnekkige preoccupatie met gedeeltes van objecten 
  2. vertragingen of abnormaal functioneren in ten minste een van de volgende gebieden, binnen de eerste drie levensjaren: 
    1. sociale interactie 
    2. sociaal taalgebruik 
    3. imitatie- of fantasiespel 
  3. de stoornis kan niet verklaard worden als Rett’s syndroom of Childhood Disintegrative Disorder 

Uitleg van de hierboven genoemde punten:

  1. Kwalitatief tekortkoming in sociale wisselwerking, zoals blijkt uit minstens twee van de volgende: 
    1. opvallende tekortkomingen in het gebruik van meerdere non-verbale gedragingen, zoals oogcontact, gezichtsuitdrukking, lichaamshouding en mimiek(welke sociale wisselwerking regelt) 
    2. tekortkoming in het ontwikkelen van vriendschappen met leeftijdgenoten in overeenstemming met ontwikkelingsniveau 
    3. een gebrek in het spontaan delen van plezier,interesses, of prestaties met andere mensen, (bv., door een tekortkoming in het verduidelijken van interesses naar anderen mensen) 
    4. een gebrek in sociale of emotionele wisselwerking 
  2. beperkt en stereotype gedragspatroon, interesses en gedragingen, zoals blijkt uit minstens een van de volgende: 
    1. overdreven in beslaggenomen zijn door een of meer stereotiepe en beperkte interessegebieden, welke abnormaal zijn in intensiteit of concentratie 
    2. blijkbaar onverzettelijk ten opzichte van specifieke, niet functionele handelingen of rituelen 
    3. stereotype en repeterende lichaamsbewegingen (zoals handflappen of draaien met de handen, of complexe bewegingen van het hele lichaam) 
    4. hardnekkige preoccupatie met gedeeltes van objecten 
  3. De stoornis veroorzaakt klinisch veelbetekenende tekortkomingen in sociaal, beroepsmatig of andere belangrijke functioneringsgebieden. 
  4. Er is geen betekenisvolle vertraging in taalontwikkeling (BV. enkele woordjes bij 2 jaar, communicatieve zinnetjes bij 3 jaar) 
  5. Er is geen betekenisvolle vertraging in de kennisontwikkeling of in de ontwikkeling van de leeftijdsafhankelijke zelfhulpvaardigheden (anders dan sociale wisselwerking) en de ontdekkingsdrift in de kinderjaren.
  6. Criteria zijn niet gelijk aan andere specifieke Pervasive Developmental Disorder of Schizofrenie

DSM-IV criteria van Asperger:

Stoornis van Asperger:
A. Kwalitatieve beperkingen in de sociale interactie, zoals blijkt uit ten
minste twee van de volgende:

1) duidelijke stoornissen in het gebruik van veelvoudig nonverbaal gedrag
zoals oogcontact, gelaatsuitdrukking, lichaamshoudingen en gebaren om de
sociale interactie te bepalen
2) er niet in slagen met leeftijdgenoten tot bij het ontwikkelingsniveau
passende relaties te komen
3) tekort in het spontaan proberen met anderen plezier, bezigheden of
prestaties te delen (bijvoorbeeld het niet laten zien, brengen of aanwijzen
van voorwerpen die van betekenis zijn)
4) afwezigheid van sociale of emotionele wederkerigheid

B. Beperkte, zich herhalende en stereotiepe patronen van gedrag,
belangstelling en activiteiten, zoals blijkt uit ten minste een van de
volgende:

1) sterke preoccupatie met een of meer stereotiepe en beperkte patronen van
belangstelling die abnormaal is in ofwel intensiteit of aandachtspunt
2) duidelijk rigide vastzitten aan specifieke niet-functionele routines of
rituelen
3) stereotiepe en zich herhalende motorische manieerismen (bijvoorbeeld
fladderen of draaien met de hand of vingers of complexe bewegingen met het
hele lichaam)
4) aanhoudende preoccupatie met delen van voorwerpen

C. De stoornis veroorzaakt in significante mate beperkingen in het sociaal
of beroepsmatig functioneren of het functioneren op andere belangrijke
terreinen

D. Er is geen significante algemene achterstand in taalontwikkeling
(bijvoorbeeld het gebruik van enkele woorden op de leeftijd van twee jaar,
communicatieve zinnen op de leeftijd van drie jaar.

E. Er is geen significante achterstand in de cognitieve ontwikkeling of in
de ontwikkeling van bij de leeftijd passende vaardigheden om zichzelf te
helpen, gedragsmatig aan te passen (anders dan binnen sociale interacties)
en nieuwsgierigheid over de omgeving

F. Er is niet voldaan aan de criteria van een andere specifieke pervasieve
ontwikkelingsstoornis of schizofrenie.

Bron: Autsider.net

Het is wat het is…

Een moeder van een autistische zoon…:

Het is onzin zegt het verstand
Het is wat het is zegt de liefde
Het is tegenslag zegt de berekening
Het is alleen maar pijn zegt de angst
Het is uitzichtloos zegt het inzicht
Het is wat het is zegt de liefde
Het is belachelijk zegt de trots
Het is lichtzinnig zegt de voorzichtigheid
Het is onmogelijk zegt de ervaring
Het is wat het is zegt de liefde

Parentificatie

Kristin BRANTEGEM

BEPALING

Ouders projecteren afgesplitste behoeften en/of persoonlijkheidskenmerken op hun kinderen waarbij het kind in de interactie zodanig wordt beïnvloed dat het zich steeds meer conform de projectie van zijn ouder(s) gaat gedragen.

Kinderen hebben niet het vermogen om die projectie te onderkennen en af te weren. Een kind past zich – vanuit gebondenheid en loyaliteit – aan de ouderlijke bewuste en onbewuste behoeften aan.

Dit verschijnsel noemen we het parentificatieproces.

Hierbij gaat een kind zich steeds meer en meer aan het afgesplitste deel of de behoefte van de ouder(s) conformeren. Tegelijk groeit hierdoor bij de ouder meer en meer de primitieve afweer tegen dit afgesplitste deel. Binnen deze interactie ontstaat meer en meer een groeiende onderlinge afhankelijkheid.

VOORBEELD

“Ik ben niet vrij van mijn vader, ik raak er niet los van.”

De vader neemt te veel ruimte zonder zicht op wat dit bij zijn zoon veroorzaakt. De zoon perkt zijn ruimte in, zelfs nu hij volwassen is en zet dit patroon verder in zijn actuele relatie met zijn partner. Al beweert deze zoon dat hij het met zijn dochter anders heeft gedaan, toch heeft hij haar een eenzijdig manbeeld meegegeven.

Op deze manier wordt een roulerende rekening in gang gezet, gepresenteerd en vereffend niet met de vorige – maar wel met de volgende generatie en in de horizontale relaties, wat op zijn beurt via de triade-vorming eveneens zijn effecten heeft op de volgende generatie. Onder triade verstaan we de driehoek moeder-vader-kind.

De vorm van parentificatie van het kind hangt dus af van welk deel de ouder van zichzelf in het kind projecteert en van het relatiethema waarin de ouder zelf is vastgelopen. Deze thema’s halen we uit de ontwikkelingsstadia zoals ze door de psychoanalyse werden uitgewerkt:

BESPREKING

Er worden 4 soorten onderscheiden:

A. Kind voldoet aan de narcistische gedragsverwachtingen van de ouders

1. perfecte kind

2. zondebok / zwart schaap

B. Kind voldoet aan orale zorgbehoeften van de ouder

3. zorgende kind

4. kind dat kind moet blijven

Anchor

1. Het perfecte kind

Welke noden van de ouder vult het kind in?

Zijn gevoelig voor de verwachtingen en delegaties van ouders. Vooral voor de verwachtingen van ouders om ook buiten het gezin binnen de invloedsfeer van het gezin te blijven. Enerzijds worden deze kinderen in tegenstelling tot zorgende en zorgbehoevende kinderen wel de wereld ingestuurd maar ze hebben er een ouderlijke opdracht. Ze moeten zich als het ware houden aan de opdracht van degenen die hen uitsturen.

Deze kinderen halen meestal zeer goede schoolresultaten en/of maken beroepskeuzen die aansluiten bij de impliciete of expliciete wensen van hun ouders. Ze gedragen zich zowel in de thuis- als in de buitenwereld zoals de ouders vinden dat hun kinderen zich horen te gedragen.

Perfecte kinderen zijn in de ogen van hun ouders geslaagde kinderen. Al hun inspanningen en – ook die van hun ouders zelf – zijn erop gericht de ouders vooral het gevoel te geven dat ze geslaagde ouders zijn.

Vaak zijn het ouders die als kind zelf zo’n rol hebben aangenomen, daar geen of onvoldoende erkenning voor hebben gekregen en de onvereffende rekening aan hun kinderen presenteren. Zij moeten doorheen hun gedrag de perfectie van de ouder voortzetten zodat via de kleinkinderen de grootouders eindelijk erkennen hoeveel moeite ze hebben gedaan. Het gaat in het geval van het perfecte kind zeker om een intergenerationele roulerende rekening.

Indien een kind er niet in slaagt om aan die verwachtingen te voldoen vervallen ze gauw in de zondebok rol, ze worden de spiegel voor het verzet dat de ouders hebben geofferd.

Gevolgen voor de ontwikkeling:

Het perfecte kind is de trots van zijn ouders krijgt uitgesproken al dan niet en krijgt veelal uitgesproken waardering. Deze kinderen krijgen heel sterk de boodschap dat ze geslaagd zijn maar niet om wie ze zijn, wel om wat ze presteren.

Het perfecte kind ontkent zijn persoonlijke noden en behoeften en vooral schermt zich emotioneel af. Het zal alle gevoelens onder controle houden die de ouders het gevoel geven geen geslaagde ouder te zijn. Zo zien we dat er soms generaties lang in een familie gevoelens worden verdrongen die noodzakelijk zijn voor een volledige beleving van de menselijke werkelijkheid.

Het perfecte kind weet vaak niet wat het heeft aan eigen verwachtingen. Het maakt van de verwachtingen van anderen zijn eigen verwachtingen en is dus relationeel sterk aanleunend en afhankelijk, wat verschillend is van ontvankelijk.

Liegen en vermijden is een systeem, gebruikt als overleving om bij verraad toch nog een poging te doen om de ouderlijke verwachtingen en later anderen – in te lossen. Dit liegen brengt echter schuldgevoelens mee, in de eerste plaats tegenover zichzelf en dit ongeacht of het ontdekt wordt of niet.

Hun leven is vooral gefocust op strenge zelfdiscipline en wil de lust vergaat ze vaak! en op het bereiken status en maatschappelijk succes.

Hun persoonlijk leven wordt gekenmerkt door een weinig ontwikkelde intimiteit, afgeschermde emoties, vaak veel vrienden die de diepe eenzaamheid achter de innerlijke leegte moeten afschermen.

Hun voortdurende aanpassing gaat ten koste van hun eigenheid waardoor ze wel succes hebben om al wat ze presteren maar niet gewaardeerd worden om hun eigenheid (hun zelfactualisatie om het met Maslow te zeggen). Ze leven vanuit de ogen van de ander en kijken met die ogen oordelend naar zichzelf, naar anderen en naar de wereld. Dat zijn evenwel schaduwaspecten die ze slechts moeizaam onder ogen willen zien.

Zien het leven als iets dat moet opgelost worden en niet als een proces in ontwikkeling dat om ruimte en tijd en “een verwijlen bij” vraagt.

Leven in een zekere grootheidswaan dat ze het alleen maar goed maken of denken dat ze meer aankunnen dan ze aankunnen (progressieve pool) of met de angst ontmaskerd te worden in waar ze eigenlijk in falen (regressieve pool) = geen correcte zelfinschatting.

Vaak gaan ze pas in therapie bij klachten van overspanning of bij totaal opgebrand zijn. Ze zijn ook de specialisten die anderen in begeleiding sturen maar zij zijn wel okee, “ze hadden eigenlijk zo’n fantastische ouders!”

Te leren

omgaan en dragen van faalangstige gevoelens.

Vertrouwen ontwikkelen en opgeven van vermijden en liegen en waarachtig contact aangaan met henzelf en anderen.

omgaan met de innerlijke leegte in zichzelf op de plaats waar zich normalerwijze gevoelens ontwikkelen. zicht krijgen en toelaten van hun angstige, depressieve, melancholische kern toelaten van de angst voor ontmaskering in hun kleinheid en onvermogen om zichzelf te zijn in meer dan wat anderen van hen verwachten. Toelaten van hun beperkingen en falen. Toelaten van hun diepe angst voor afhankelijkheid van een feilbare ander.

Gericht blijven op eigen behoeften en het exploreren van de emotionele aspecten ervan.

Doorbreken in gezin van herkomst van het opgehangen “imago” en zich bekennen in wat dat imago zoal verhult.

Destructief recht en ethisch onevenwicht in de balans van geven en nemen

Dezelfde oordelen die ze naar zichzelf hanteren, hanteren ze ook naar anderen en naar de wereld. Leven met de illusie dat alles zijzelf, de anderen en zelfs het leven maakbaar is. Zeer grote angst voor de dood vanwege een niet echt helemaal aanwezig zijn bij het leven en bij henzelf en anderen. Hebben ook de neiging anderen niet te waarderen voor wat ze zijn maar voor wat ze presteren, vooral eigen kinderen. Maken vaak een vlotte indruk en hanteren een meer of minder geraffineerd taalgeweld.

Pathologie

Stress Verdrongen depressie en psychosomatische klachten.

Bestaanskwaliteit

Zeer goede organisatoren.

Vlotte en toch schroomvolle mensen die – eenmaal ze hun openlijk of stiekem geraffineerd taalgeweld hebben losgelaten dynamiserend zijn voor anderen.

2. De zondebok en het zwarte schaap

Zondebok : progressieve pool
Zwarte schaap: regressieve pool

Zwart schaap en zondebok waren aanvankelijk perfecte kinderen die op een bepaald moment gefaald hebben. Ze zijn er ­ondanks hun streven om zo perfect mogelijk te voldoen aan de verwachtingen van hun ouders – niet in geslaagd de emoties bij hun ouders en de spanningen tussen deze hen te controleren. De spanningen naar hen toe trekken is de manier die ze ontwikkelen om toch enige greep te krijgen op de spanningen tussen anderen.

Welke noden van de ouder vult het kind in?

Beiden nemen de zorg voor het gezin op door de schuld van de spanningen op zich te nemen. Het kind offert zich op en wordt geofferd ten voordele van het gezin.

Beiden vermijden dat de ouders de spanningen tussen en onder elkaar onder ogen moeten zien en oplossen. Ze helpen de schijn ophouden. Zeer snel wordt het gedrag van het kind als oorzaak benoemd van de echtelijke moeilijkheden.

Beiden worden onuitgesproken en op oneerlijke wijze gedwongen om verantwoordelijkheid op zich te nemen voor de lasten en vergrijpen van een ander (Nagy en Krasner)

Het kind krijgt hiervoor geen erkenning maar wordt eerder als last ervaren en. Het helpende wordt afgestraft en met schuld beladen.

Vaak gaat het om gezinnen waarbij een partner de ander uitbuit en/of domineert en deze laatste zich niet verweert tegenover die uitbuiting. Het kind gaat zich dan uitgesproken weerbaar opstellen en leeft de verborgen kant van zijn niet weerbare ouder uit.

Vb. Een volwassen man bootst het vermijdende gedrag van zijn moeder na. Bij de vraag zich weerbaarder op te stellen tegenover zijn vader gaat hij zijn moeder aansporen om zich weerbaarder op te stellen en neemt hij het voor zijn moeder tegenover zijn vader op, waardoor hij de agressie van zijn vader en moeder riskeert. Vanuit deze positie riskeert het (volwassen) kind zondebok te worden.

Sfeer in het gezin

Beiden doen alles opdat het gezin niet uit elkaar zou vallen. Echtelijke conflicten en frustraties worden via hen gekanaliseerd.

Vaak ontstaat er uitstoting uit het gezin door plaatsing in jeugdzorg of in ergere gevallen, de gevangenis. Door de relatie van het geven en de zorg voor de ouders te ontkennen in de begeleiding veroorzaakt de jeugdbegeleiding juist dat het kind zijn destructief gedrag voortzet om te bewijzen dat het nergens lukt en de ouders het uiteindelijk nog beter deden.

Het narcistisch element heeft betrekking op het afgesplitste element van één of beide ouder(s), namelijk de “slechte, weerbare kant” die het kind gaat uitleven.

Verschil tussen zwart schaap en zondebok:

1. Zwart schaap ondergaat en slikt alles in, draagt zonder weerstand de parentificatie en roept daardoor ook een zeker mededogen op in de omgeving
2. De zondebok verzet zich tegen onrechtmatige uitlatingen, bejegeningen en verwachtingen. Hij rebelleert en weigert zich te laten parentificeren maar slaagt er evenwel niet in zijn emotionele behoeften en ethische aanspraken te laten gelden. Hoe meer hij dit probeert hoe meer hij zijn aanspraken verspeelt.

Hij krijgt dan ook geen mededogen en wordt door iedereen als dader gezien. Enerzijds ontwikkelt hij wel weerbaarheid maar anderzijds ondergaat hij relationele schade.

Gevolgen voor de ontwikkeling

Gekwetst zelfbeeld (leeft vooral enkel zijn zwarte kant uit en identificeert er zich mee)

Minderwaardigheidsgevoelens vooral wat betreft tedere en milde gevoelens

Wantrouwen tegenover anderen, “ik heb het toch altijd gedaan”

Leeft in een permanente “outsider-positie” wat zich vaak in zijn levensgeschiedenis herhaalt. Erbij horen, samen in een team of groep werken blijven moeilijke thema’s in hun leven

In vriendschaps- en intieme relaties hebben ze veelal het gevoel het niet waard zijn bemind te worden zonder zich te moeten aanpassen en dat wordt openlijk geweigerd vooral in het geval van de zondebok, stiekem in het geval van de zondebok.

Ervaart zich als niet gerechtigd om te ontvangen want deugt toch niet

Zwarte schaap: gevoelens van machteloosheid, zinloosheid, nutteloosheid, het eeuwige slachtoffer
Zondebok : eeuwige dader: zolang hij in destructief recht zit, kan hij zich niet toeverlaten op anderen; leeft vanuit de houding “ik heb niemand nodig, ik zorg wel voor mezelf”

beschikt wel over sociale vaardigheden en gedragsvormen die deel uitmaken van wederkerige, hechte relaties, zoals empatisch zijn, actief zorgen dragen voor en een leidende rol opnemen maar kan ze niet of moeilijk ontvangen. houdt impliciet heel veel rekening met de belangen, wensen en opvattingen van anderen maar plaatst er zeer expliciet de zijne naast wat vooral conflicten geeft met die personen die getraind zijn in vermijding en non-differentiatie.

komt over-assertief over en zijn probleem is niet opgelost zolang hij dat imago blijft geven. Dat is een zelfbescherming om niet van de wereld en anderen afhankelijk te moeten zijn. Hij houdt anderen daarmee op afstand, niemand vermoedt dat hij iets kan nodig hebben.

Onbewust is er veel verlangen en lijden om het gemis aan “horen bij”. Hij kan zich niet echt verbinden want hij mist het vertrouwen het heft uit eigen handen te geven aan de ander waar het op respect voor zijn persoon aankomt. Hij heeft nodig dat anderen voor hem opkomen. Dat is wat hij voor anderen doet maar ziet er zo sterk uit dat niemand dat ook doet. Kiezen ook vaak niet moedige partners uit waardoor hun verwachtingen uitkomen. Zo kunnen ze hun eigen patroon voortzetten.

Het levenslot van de zondebok is dat er altijd maar een pseudo-verbondenheid is die op ieder moment kan opgezegd worden. Hij geeft veel maar kan niet of slechts moeizaam empathie en mededogen ontvangen en is vaak te trots en tegelijk te bang om zonder eisen te formuleren wat hij nodig heeft.

Vaak afgunst voor de kinderen in het gezin die meer geaccepteerde rollen op zich namen, bijv. perfecte kind en zorgende kind, die wel waardering krijgen voor hun geven, wat nog geen erkenning betekent. Krijgt ook vaak de afgunst van die anderen over zich omdat zij de vrijheid missen en de autonomie die de zondebok – en zelfs het zwarte schaap – in ruime mate verworven heeft.

Gezinskenmerken

Hardnekkige afleidingsmanoeuvres naar één kind

Bijna dwangmatig volhouden dat er geen ouderlijke conflicten zijn

Verwijten van beide ouders aan het adres van eerdergenoemd kind

Meedoen van het kind aan dat patroon

Te leren

1. Zwart schaap: verantwoordelijkheid nemen voor eigen bijdrage

omgaan met het gevoel “ik ben zwart en slecht” als ik wil bestaan onder mijn voorwaarden bescherming vragen tegen laster en blaam en verkeerde interpretaties van wat de zondebok doet: “Sta me bij zodat ik niet weer de schuld krijg en belasterd word”.

Uit een conflict als winner te komen i.p.v. als loser en degene die er weer uit moet gaan of eruit gegooid wordt.

2. Zondebok

Ruimte vragen voor eenzaamheid, de pijn, het verdriet en de kwetsbaarheid die de keerzijde vormen van de levensmoed en die richten op het eigen bestaan en niet op de verdediging van anderen

Verdediging durven vragen Bewustzijn ontwikkelen van de enorme kracht achter de moed om te zeggen en te zijn

Pathologie

Fysieke klachten: depressie en psychosomatisch klachten die gepaard gaan met machteloosheid (zwart schaap) of almacht (zondebok). Vaak uiten de klachten zich eerder op ethisch en geestelijk niveau.

Destructief recht en ethisch onevenwicht in de balans van geven en nemen

Inzien van de schade die aan anderen wordt toegebracht en onderkennen van de zelfschade. Voor de zondebok vooral de ethische en sociale schade.

Bestaanskwaliteit

Eens de problematiek opgelost een waarachtig en vrij mens Een voorbeeld van leven binnen de spanning “goed en kwaad” aspecten van het leven die beide nodig zijn om een menselijk bestaan mogelijk te maken. Brengt nieuwe lucht in systemen door het systeem te doorprikken en de donkere kanten ervan boven te halen.

Vandaar een goede conflictmanager. Hij is de betrokken outsider die zich in de arena waagt en zich daar vlot tegelijk kwetsbaar en groots opstelt

Kan zich sterk engageren eens hij voldoende vertrouwen krijgt. Toch blijft hij altijd een outsider die de klink van de buitendeur steeds in de hand houdt. Kan stimulerend zijn voor anderen door het aanreiken van de duistere kant van het leven als levensnoodzakelijk is voor de heling van mensen en systemen.

3. Het zorgende kind

Welke noden van de ouder vult het kind in?

1. Zorgende kinderen die huishoudelijke taken opnemen: zorgen voor broers en zussen
2. Zorgende kinderen die psychologische zorg opnemen: gesprekspartner en toeverlaat van vader, moeder, of/en andere leden van het gezin

Dikwijls is de ouder overbelast of uitgeput, wat ook met de intergenerationele balans van de ouder te maken heeft. Het zijn de lieve, meegaande en behulpzame kinderen.

Ze hebben reeds zeer vroeg, te vroeg, een gevoeligheid ontwikkeld om zich in te leven in de ouders en hun moeilijke situatie en pogen door tegemoet te komen aan hun noden de last te verminderen.

Ze voelen de pijn uit de niet verwerkte thema’s vanuit het verleden bij de ouders aan en pogen de pijn te verzachten of te herstellen. Vaak hebben deze ouders zelf een tekort aan ouderlijke zorg gehad, zijn ze overbelast en weinig beschikbaar voor hun kinderen. Het zorgende kind wordt dan een ouder voor zijn ouder(s) en voor broertjes en zusjes.

Gevolgen voor de ontwikkeling

Weinig of veel minder contact met leeftijdsgenootjes. Het verkeert liefst onder volwassenen. Het gebruikt altijd zijn gezond verstand en is vanwege zijn sterke voelsprieten sterk gericht op de noden van anderen. Speelsheid, spontaneïteit, uitbundigheid en onbezorgdheid is de prijs die het kind van zichzelf inlevert.

Het voelt zich sterk is eigenlijk te sterk -en vindt dat het niet zwak mag zijn.

Het zet zichzelf onder druk.

Heeft moeite om de eigen noden en behoeften te kennen laat staan ze in dialoog te brengen.

Permanent bezig met geven of zelfbeschuldiging om niet genoeg geven.

Sfeer in het gezin

Daar de zorg die het kind de ouder geeft, vooral de kinderen die toeverlaat en gesprekspartner van hun ouder zijn, zelden resulteert in een zich beter voelen van de ouder(s) leidt bij het kind tot een gevoel van schuld en incompetentie, minderwaardigheid en uiteindelijk een negatief zelfbeeld omdat het niet heeft kunnen realiseren wat het wil.

Ontwikkelen daarnaast ook een negatief beeld van de andere, de wereld. Iedereen is egoïstisch en wil van mij profiteren

Hebben het vertrouwen verloren dat er maar iemand zou kunnen zijn die hen iets zou willen en kunnen geven.

Zorg heeft de plaats ingenomen van tederheid

Te leren

Vragen om hulp en aandacht

Ontvangen van hulp en aandacht

Gevoel leren dragen dat de ander te veel geeft of tekort gedaan wordt.

Leren dat anderen mogen proberen te profiteren dat ze mogen neen zeggen Leren geven vanuit een wens en niet vanuit een onvermogen om te weigeren

De controle over anderen onder ogen zien en loslaten is een moeilijk en beangstigend proces maar biedt ruimte voor meer tederheid en ontvankelijkheid

Erkenning leren vragen en ontvangen van begeleider, ouders, broers, zussen vrienden van de familie etc. voor het offer dat ze gebracht hebben en de gevolgen ervan voor hun leven en dat van anderen rondom hen

Behoeften leren onderkennen en in dialoog brengen Leren omgaan en dragen van gevoelens van schuld en incompetentie, minderwaardigheid Positief zelfbeeld ontwikkelen en antwoord ontwikkelen op de vraag “wie ben ik als ik stop met geven en zorgen?”

Ontwikkelen van de passieve, ontvangende kant, toelaten van afhankelijkheid van anderen

Geven wat de ander echt nodig heeft en niet wat zij denken dat hij/zij nodig heeft

Leren leven met het recht van de ander om ook het recht op geven en zorgen in de relatie te brengen

Ontwikkelen van nieuw zelf-, mens- en wereldbeeld

Hoe kijkt hij naar zichzelf, anderen? Kan hij de ander(en) die ook in hem willen investeren ook als betrouwbaar ervaren?

Pathologie

Fysieke klachten: Uitputting, Depressieve klachten

Destructief recht en ethische ontwrichting van de balans van geven en nemen:

Geeft anderen geen kans om terug te geven en zich ook eens sterk en zorgend te voelen.

Beladen de anderen met een permanent gevoel van in de schuld staan.

Zorg is verworden tot een controle op de relatie

Bestaanskwaliteit

Anchor

4. Het kind dat kind moet blijven

Nagy beschrijft het “klein” houden als één van de zwaarste vormen van parentificatie.

“Bezitterige, overbeschermende attitudes van de ouders kunnen leiden tot een verstoorde persoonlijkheidsontwikkeling van het kind”.

Welke noden van de ouder(s) worden ingevuld?

Veelal gaat het om de jongste van een gezin, een nakomertje of een enig kind.

Veelal vanuit een niet echt gerealiseerde relatie tussen ouders onderling of/en een gemis aan een zinvolle bezigheid van een van de ouders buiten het ouderschap, moet het kind dienen om de behoefte aan zorg geven van een van beide ouders te bevredigen.

Wanneer het enige kind of het laatste kind het huis uitgaat, dreigt ofwel de man-vrouwrelatie tussen de ouders weer op de voorgrond te komen of de vraag naar de zinvolle invulling van de ouders zonder het geven van zorg aan hun kinderen.

Wanneer het overblijvende kind voelt dat dit een probleemgegeven vormt, zal het zijn autonomie uitstellen en afhankelijk blijven om de ouders niet met hun problemen en hun leegte te confronteren. Ouders doen daar ook het nodige voor, door het kinderen extra moeilijk te maken om het huis uit te gaan, bijv. materiële en andere verwenning en toegeeflijkheid, het huis als hotel zonder enige bijdrage van het kind om dat hotel te helpen runnen, etc

Vaak wordt dat jongste kind ook gebruikt om de verwachtingen die de vorige kinderen niet hebben ingevuld evenwel nu nog te realiseren.

Sfeer in het gezin

Autonomie van een van beide ouders onvoldoende uitgebouwd en/of de ruïne van man-vrouwrelatie tussen de ouders ontaarden in verwenning en overprotectie van het overblijvende kind.

Dit kan zelfs blijven bestaan na het huwelijk van het kind of de kinderen. Het kind kan niet in de eerste plaats een partner worden, het blijft in de eerste plaats de zoon of dochter van zijn ouder(s).

Gevolgen voor de ontwikkeling

Kind blijft zitten in een toestand van onvermogen om verantwoordelijkheid op te nemen voor zichzelf, zijn horizontale relaties en zijn eventueel nageslacht. De autonomie van het kind wordt geofferd aan de behoefte aan zorg geven van één of beide ouders.

Het volwassen kind offert zijn leven op om eeuwig zoon of dochter te blijven en sleurt daarin vaak de partner en kinderen in mee, die evenwel evenmin echt autonoom geworden zijn en op een of andere manier geparentificeerd.

Moeilijk opnemen van verantwoordelijkheden die horen bij het volwassen leven en het leren ingaan op risicovolle uitdagingen zonder de verantwoordelijkheid van de ouders in te schakelen.

Onvermogen tot het uitbouwen van volwassen relaties met een partner, onvermogen tot het nemen van een volwassen verantwoordelijkheid tegenover de eigen kinderen.

Het aangaan van horizontale relaties verloopt moeizaam daar een te grote beschikbaarheid ten overstaan van de ouders. Er zit een verziekte loyaliteitsconflict tussen horizontale en verticale loyaliteit en waarbij het verticale het altijd van de horizontale wint.

Krijgt bij zijn ouders niet de nodige ruimte en vrijheid om op een adequate wijze uitdrukking te geven aan zijn beleving, behoeften en relationele werkelijkheid. Een schijndialoog van in het beste geval twee naast elkaar gevoerde monologen staat een echte dialoog in de weg.

Zeer lage frustratiedrempel waardoor ook moeilijkheden in de horizontale relaties en met de eigen kinderen.

Leren omgaan met de grenzen die gegeven worden door de mensen in de horizontale relaties, meestal zoeken ze trouwens partners op die even grenzeloos zijn tegenover hen als zij met hun ouders en die het systeem mede bestendigen. Allen samen vormen ze systemen van wederkerige afhankelijkheden.

Te leren

Groot worden!

Inzicht verwerven dat naast het zogenaamd profiteren het nablijven bij ouders eveneens een geven is aan de ouder(s).

De angst voor de gevaarlijke wereld buiten trotseren en loslaten van het veilig nest, waar je klein kan blijven.

Kinderlijke denkkaders over het leven loslaten.

Inzicht verwerven in het eigen geven aan de ouders, enerzijds en in hoe ouders in gebreken blijven ten aanzien van een belangrijk aspect van de opvoeding, namelijk het vrijmaken van hun kinderen bevorderen, anderzijds. Leren de reeds geleverde verdiensten zien en daar aanspraak op maken.

Ontwikkelen van het recht op eigen en verlangens die horen bij de autonomie van de volwassene en dit los van de ouderlijke betutteling.

Stilaan de moed ontwikkelen om beslissingen te nemen ten gunste van eigenbelang in het domein waar de ouders greep op blijven houden en leren hun ontgoochelingen en kwellingen te dragen.

Leren zin en betekenis te geven aan het eigen leven in functie van de noden van zichzelf en anderen dan de ouders

Leren conflicten aangaan met ouders en elders

Pathologie
  • Fysieke klachten: Ontwikkeling tot zieke of zwakke kind met psychosomatische klachten zonder dat er ooit een duidelijke fysiologische grond.
  • Maken anderen partner of eigen kinderen depressief of ziek en tot zondebok van hun ouders.
  • Destructief recht en ethische ontwrichting van de balans van geven en nemen:
  • Het kind dat kind moet blijven is de meest belastende parentificatie naar de toekomst toe, omdat ze indien niet opgelost, zware schade toebrengt aan de volgende generatie. De verantwoordelijkheid voor de horizontale relaties (partners), de eigen kinderen en de triade-vorming, wordt ondergeschikt aan de verantwoordelijkheid voor de ouders, wat indruist tegen de orde van het leven zelf.
Bestaanskwaliteit


Geraadpleegde literatuur

M. Michielsen, W. Van Mulligen, L. Hermkens (red.), Leren over leven in loyaliteit,Uitg Acco


©Kris Roose, 1978-2004 – Laatste wijziging: 1 september 2004 [Naar origineel]

Meer artikelen:

EO: Je ouders op je schouders

Ouders Online: Je ouders op je schouders

Anders zijn

‘Gek is iemand die in zijn eigen wereld leeft… mensen die anders zijn dan anderen.’

‘Je zult wel eens van Einstein gehoord hebben, die beweerde dat tijd en ruimte niet bestonden, dat ze één waren. Of Columbus, die volhield dat er aan de overkant van de zee geen afgrond was, maar een continent. Of Edmund Hillary, die zeker wist dat een mens de top van de Mount Everest kon bereiken. Of de beatles, die een ander soort muziek maakten en die zich niets aantrokken van wat er toen in zwang was. Al deze mensen – en duizenden anderen- leefde ook in hun eigen wereld.’

“Een machtige tovenaar wilde eens een koninkrijk vernietigen, hij goot een toverdrank in de bron waaruit alle mensen dronken. Wie dat water dronk zou gek worden.
De volgende ochtend had de hele bevolking ervan gedronken en iedereen werd gek, behalve de koning die voor zichzelf en zijn familie een eigen bron had waar de tovenaar niet bij kon. Bezorgd probeerde de koning de bevolking onder controle te krijgen, hij vaardigde een hele serie decreten uit over veiligheid en volksgezondheid; maar politie en inspectie hadden vergiftigd water gedronken en vonden de koninklijke besluiten absurd. Ze besloten ze volledig te negeren.
Toen de inwoners van dat koninkrijk hoorden van de decreten, concludeerden ze dat hun heerser gek geworden was en nonsens schreef. Joelend trokken ze op naar het kasteel en eisten dat hij af zou treden.
Wanhopig verklaarde de koning zich bereid af te treden, maar de koningin hield hem tegen en zei: ‘we gaan naar hun bron en drinken hun water. Dan Worden we hetzelfde als zij.’
En zo gebeurde het: de koning en de koningin dronken het water van de waanzin en begonnen onmiddellijk onzin uit te kramen. Hun onderdanen kregen meteen spijt: de koning toonde nu zoveel wijsheid, waarom hem niet verder laten regeren?
Het land leefde vredig voort, ofschoon de inwoners zich heel anders gedroegen dan hun buren. En de koning mocht regeren tot aan het einde van zijn dagen.”

 Uit: Paolo Coehlo – Veronica besluit te sterven